Content on this page requires a newer version of Adobe Flash Player.

Get Adobe Flash player

E-mailadres: Wachtwoord:
Klik hier als u uw wachtwoord bent vergeten.

• Ministerie VROM publiceert in het kader van de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms) een Ontwerpbesluit met koperverbindingen verduurzaamd hout (Staatscourant 147). Het ontwerpbesluit beoogt de import, handel en toepassing van met koperverbindingen verduurzaamd hout te beëindigen vanwege het milieurisico.

http://www.biomassa.polie.nl/

Ministerie Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Afdeling Publieksvoorlichting / IPC 855

Rijnstraat 8

Postbus 20951

2500 EZ Den Haag

Den Haag, 28 september 2004

Geachte heer, mevrouw Kampman,

Naar aanleiding van uw mails en het probleem dat u geschetst heeft, heb

ik overleg gehad met de beleidsdirectie en kan u het volgende

mededelen.

Koperverbindingen kunnen worden onderscheiden in

koper-chroom-arseenverbindingen (CCA) en koper-chroomverbindingen (CC).

In Europees verband is ten aanzien van CCA de zogenoemde Arseenrichtlijn

vastgesteld in januari 2003. Deze richtlijn is een wijziging van de

zogenoemde EG-Stoffenrichtlijn. De Arseenrichtlijn is in ons land in

nationaal recht omgezet in het Besluit met arseenverbindingen behandeld

hout Wms. De Arseenrichtlijn zal in Duitsland ongetwijfeld ook zijn omgezet

in nationaal recht. Die omzetting had voor 30 juni 2003 moeten zijn

gebeurd en de nationale regelgeving had uiterlijk op 30 juni 2004 in werking

moeten zijn getreden.

De Arseenrichtlijn geeft beperkingen aan onder meer het behandelen van

Hout met CCA en aan het verhandelen van dat behandelde hout. Aan

Particulieren mag het niet meer verkocht worden of ter beschikking worden gesteld.

Alleen in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf mag het met CCA

behandelde hout nog worden gebruikt en verhandeld, zij het onder

bepaalde voorwaarden voor bepaalde toepassingen. Zie het Besluit met

arseenverbindingen behandeld hout Wms, dat ik als bijlage hierbij

voeg.

Voor met CC behandeld hout bestaat geen Europees geharmoniseerde

Regelgeving in de vorm van een richtlijn of een verordening. De lidstaten van de Europese Unie zijn dan ook vrij daarover voorschriften te geven, mits die voorschriften geen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opleveren.

Nederland heeft op basis van een risicoanalyse, uitgevoerd door het

Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het College

voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) vastgesteld dat met CC

behandeld hout onaanvaardbare gevolgen voor het milieu oplevert. Daarom heeft

Nederland het ontwerpbesluit met koperverbindingen verduurzaamd hout Wms in

Procedure gebracht. Dat besluit moet voorzien in een verbod in de invoer, handel en het gebruik van met CC behandeld hout. Dit besluit is echter nog niet in werking getreden. Tussen Nederland en de Europese Commissie bestaat

Nog verschil van mening over de wijze waarop de risicoanalyse heeft

Plaatsgehad en mitsdien over de vraag of de handelsbelemmeringen die het besluit oplevert, wel gerechtvaardigd zijn. Over dat verschil van mening is Nederland nog in overleg met de Europese Commissie. Dat ontwerpbesluit,

zoals dat in de Staatscourant is voorgepubliceerd, heb ik eveneens bijgevoegd.

Het feit dat Intergard met CCA en CC behandeld hout niet langer meer in haar assortiment wil opnemen en aan klanten wil verkopen, is uit het oogpunt van milieubescherming een goede stap.Het staat een bedrijf vrij die

producten aan te bieden die niet in strijd zijn met de regelgeving.

Het aanbieden van met CCA behandeld hout is, gelet op het hierboven

gestelde, in strijd met (Europese) regelgeving. In dat licht bezien is het standpunt van Intergard volkomen terecht.

Wat met CC behandeld hout betreft, daar bestaat nog geen regelgeving

voor. Een bedrijf is dus nog steeds bevoegd dergelijk behandeld hout aan te

bieden, maar is daar geheel vrij in. het standpunt van Intergard dat zij ook met CC behandeld hout niet meer wil aanbieden, sluit goed aan bij de mening van de Nederlandse overheid dat ook dat behandelde hout moet worden

verboden vanwege de onaanvaardbare gevolgen voor het milieu. De opvatting van

de Duitse impregneerders is ten aanzien van met CC behandeld hout dus wel

begrijpelijk, maar het staat een bedrijf vrij, zoals ik al opmerkte, om

aan te bieden wat het wil mits het aangebodene maar niet in strijd is met

de regelgeving. Met andere woorden, als Intergard om haar moverende

redenen, bijvoorbeeld ontleend aan de door het RIVM en het CTB verrichte

risicoanalyse, besluit met CC behandeld hout niet meer aan haar klanten

aan te bieden, dan is dat een vrije markt beslissing van dat bedrijf. Een

organisatie, zoals de Duitse impregneerders, kunnen Intergard niet

dwingen met CC behandeld hout te verkopen.

Uitgaande van meer bedoelde risicoanalyse, waarvan de resultaten zijn

verwoord in de nota van toelichting bij het ontwerpbesluit met koperverbindingen verduurzaamd hout Wms, is het aanbieden van milieuvriendelijk behandeld hout, dus zonder CC, prijzenswaardig.

Ik vertrouw erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

Ministerie Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

Afdeling Publieksvoorlichting / IPC 855

Rijnstraat 8

Postbus 20951

2500 EZ Den Haag

Monica Tjon Lim Sang

Publieksvoorlichter

Telefoon: 070 - 339 50 50

Openingstijden: werkdagen van 09.00 tot 12.00 uur

Fax: 070 - 339 12 26

Internet : www.vrom.nl

E-mail: info@minvrom.nl

Besluit van houdende regels met betrekking tot met koperverbindingen verduurzaamd hout (Besluit met koperverbindingen verduurzaamd hout Wms)

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuis­ves­ting, Ruimte­lijke Ordening en Milieubeheer, van , nr. MJZ , Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen;

De Raad van State gehoord (advies van , nr. );

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volks­huisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van , nr. , Centrale Directie Juridische Zaken, Afde­ling Wetgeving;

HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder met koperverbindingen verduurzaamd hout: hout dat is verduurzaamd met middelen op basis van koper-, koperchroom- of koperchroom‑arseenverbindingen.

Artikel 2

1. Het is verboden om in Nederland met koperverbindingen verduurzaamd hout in te voeren, toe te passen, aan een ander ter beschikking te stellen voor toepassing in Nederland of voor handelsdoeleinden voor de Nederlandse markt voorhanden te hebben.

2. Het verbod, voor zover dat betrekking heeft op het toepassen, het aan een ander ter beschikking stellen of het voor handelsdoeleinden voorhanden hebben van met koperverbindingen verduurzaamd hout, geldt eerst vanaf de dag nadat dertien weken zijn verstreken na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

3. Het verbod geldt niet voor met koperverbindingen verduurzaamd hout dat is toegepast vóór de dag waarop dertien weken zijn verstreken na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zolang die toepassing ter plaatse wordt gehandhaafd.

4. Het verbod geldt evenmin voor de invoer van met koperverbindingen verduurzaamd hout dat:

1°.valt onder een douaneregeling en bestemd is voor douanevervoer, plaatsing in douane-entrepot of voor tijdelijke invoer als bedoeld in artikel 4, onderdeel 16, van de verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992, tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PbEG L 302);

2°. afkomstig is uit een lidstaat van de Europese Unie of uit een Staat die partij is bij de overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en niet bestemd is voor het in de handel brengen of toepassen in Nederland.

Artikel 3

1. Degene die hout met koperverbindingen verduurzaamt, houdt een zodanige administratie van dat verduurzaamde hout, dat desgevraagd op basis daarvan kan worden aangetoond dat het hout niet is verduurzaamd voor toepassingen in Nederland.

2. De administratie omvat ten minste:

a. de werkzame stoffen waarmee het met koperverbindingen verduurzaamd hout is behandeld;

b. naam en adres van degene aan wie het met koperverbindingen verduurzaamde hout ter beschikking is gesteld;

c. de datum van terbeschikkingstelling van het met koperverbindingen verduurzaamde hout;

d. de hoeveelheid van het ter beschikking gestelde met koperverbindingen verduurzaamde hout.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 5

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit met koperverbindingen verduurzaamd hout Wms.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De Minister van Volkshuisvesting,

Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,


Nota van toelichting

I. Algemeen

1.1 Inleiding

In juli en september 1999 heeft het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) besloten om op grond van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Bmw) de toelating van een aantal houtverduurzamingsmiddelen waarin een koperverbinding een van de werkzame stoffen is (hierna: koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen) in Nederland te beperken.

In juli 1999 heeft het CTB besloten om de toelating van houtverduurzamingsmiddelen op basis van een combinatie van de werkzame stoffen koper-chroom en koper-chroom-arseen, ook wel wolmanzouten genoemd, per 1 januari 2000 te beëindigen voor:

a. het verduurzamen van hout dat bestemd is voor de verwerking of voor het gebruik door particulieren, en

b. het verduurzamen van hout dat wordt gebruikt in direct of indirect contact met grond (inclusief oeverbeschoeiing).

Alleen de toelating van deze middelen voor het verduurzamen van hout dat wordt gebruikt binnenshuis, mits verwerkt in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf, is verlengd tot 1 juni 2000. Bij regeling van 22 december 1999 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is een opgebruiktermijn vastgesteld tot 14 mei 2000.

In september 1999 heeft het CTB besloten de toelating van houtverduurzamingsmiddelen op basis van de werkzame stoffen koper(II)oxide, koper(II)carbonaat en/of koper(II)carbonaathydroxide per 1 januari 2000 te beëindigen voor toepassingen waarbij direct of indirect contact met grond mogelijk is (inclusief oeverbeschoeiingen). Alleen de toelating van deze middelen voor het verduurzamen van hout dat wordt gebruikt binnenshuis blijft toegestaan. Ook voor deze toepassingen geldt de opgebruiktermijn tot 14 mei 2000, zoals vastgelegd in de regeling van 22 december 1990 van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

De hiervoor genoemde koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen zijn aan te merken als niet-landbouwbestrijdingsmiddelen ofwel biociden en mogen in Nederland ingevolge de Bmw in beginsel alleen worden toegepast indien het CTB een daartoe strekkend toelatingsbesluit heeft afgegeven.

1.2 Milieurisico's

Het CTB heeft de in paragraaf 1.1 genoemde besluiten met betrekking tot koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen genomen op grond van de Bmw na het uitvoeren van een
risicobeoordeling volgens het Besluit milieutoelatingseisen niet-landbouwbestrijdings-middelen (Bmnl). Dit besluit sloot direct aan bij de milieuparagrafen van de Gemeenschappelijke Beginselen uit bijlage VI van richtlijn nr. 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (hierna: de Biocidenrichtlijn), maar strekte, formeel gezien, niet tot omzetting naar nationaal recht van die richtlijn. De omzetting naar nationaal recht van de Biocidenrichtlijn heeft plaatsgehad in een wijziging van de Bmw. Daarnaast is het Bmnl afgestemd op die wijziging van de Bmw. Die afstemming heeft hoofdzakelijk geleid tot wijzigingen die van ondergeschikte betekenis zijn. Het gewijzigde Bmnl en de gewijzigde Bmw zijn als de Nederlandse implementatiemaatregelen gemeld bij de Europese Commissie. Het CTB heeft zijn besluiten op grond van artikel 18 van de Biocidenrichtlijn op 25 augustus 1999 (wolmanzouten) en op 24 september 1999 (overige koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen) gemeld aan de Europese Commissie.

Bij de beoordeling door het CTB zijn de toepassings-, de gebruiks- en de afvalfase in beschouwing genomen. De emissie van koper, chroom en arseen is voor elke fase berekend en de blootstelling voor water-, sediment- en bodemorganismen is bepaald. De risico's voor de organismen zijn berekend aan de hand van de normen uit het Bmnl.

Binnen de koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen valt een onderscheid te maken tussen koperhoudende middelen zonder chroomverbinding en koperhoudende middelen met een chroomverbinding. Chroom wordt aan de middelen toegevoegd om de schimmelwerende componenten koper en arseen in het hout te fixeren. De middelen worden toegepast door middel van een vacuüm- en drukmethode of door middel van onderdompeling van het te verduurzamen materiaal. Een enkel middel, dat alleen plaatselijk mag worden toegepast, kan door middel van kwasten op het hout worden aangebracht.

Koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen zonder chroomverbinding

De werkzame stoffen in deze middelen die door het CTB zijn onderzocht, zijn koper(II)oxide, koper(II)carbonaat en koper(II)carbonaathydroxide. Geconcludeerd is dat de werkzame stof koper niet voldoet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het Bmnl. Er is sprake van onaanvaardbare accumulatie, omdat koper gezien het toepassingsgebied van het middel in meer dan geringe mate in de bodem terecht kan komen en er geen afbraak plaatsvindt.

Koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen met een chroomverbinding

Binnen de koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen met een chroomverbinding valt nog een onderscheid te maken in middelen zonder arseenverbinding en met arseenverbinding. Wat betreft de middelen zonder arseenverbinding is gekeken naar de werkzame stoffen koper(II)oxide en chroomtrioxide. Wat betreft de middelen met arseenverbinding is gekeken naar de werkzame stoffen koper(II)oxide, chroomtrioxide en arseenpentoxide.

Op basis van de in de risicobeoordeling gehanteerde methoden en beschikbare gegevens wordt het volgende voor deze houtverduurzamingsmiddelen door het CTB geconcludeerd:

a. In de toepassingsfase en afvalfase voldoen de houtverduurzamingsmiddelen aan de normen voor toxiciteit aquatische organismen, bodemorganismen en uitspoeling zoals opgenomen in het Bmnl. Het risico van deze houtverduurzamingsmiddelen voor rioolwaterzuiveringsinstallaties kan niet ingeschat worden vanwege het ontbreken van toxiciteitsgegevens.

b. In de gebruiksfase voldoen de houtverduurzamingsmiddelen niet aan de norm voor toxiciteit aquatische organismen, toxiciteit bodemorganismen en uitspoeling zoals opgenomen in het Bmnl. Voor deze aspecten dient door een adequate risicobeoordeling aangetoond te worden dat onder veldomstandigheden de normen niet overschreden worden.

c. De werkzame stoffen koper, chroom en arseen voldoen niet aan de norm voor bioconcentratie zoals opgenomen in het Bmnl. De normstelling is gebaseerd op de veronderstelling dat de bioconcentratiefactor een vaste waarde is onafhankelijk van de blootstellingsconcentratie. Voor metalen is deze veronderstelling, vanwege actieve regulatie, niet zonder meer het geval. Toetsing aan de norm voor bioconcentratie is dan ook niet zinvol voor metalen.

d. De werkzame stoffen koper, chroom en arseen voldoen niet aan de norm voor persistentie zoals opgenomen in het Bmnl. Er is sprake van onaanvaardbare accumulatie, omdat de werkzame stoffen gezien het toepassingsgebied van het middel in meer dan geringe mate in de bodem terecht kunnen komen en er geen afbraak plaatsvindt.

Het CTB-besluit inzake deze koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen is in hoofdzaak ingegeven door de laatste conclusie. Op grond hiervan heeft het CTB besloten om de toepassingen waarbij direct of indirect contact met de bodem mogelijk is, te beëindigen.

Uit recentelijk onderzoek van het Rijks Instituut Volksgezondheid en Milieuhygiene is voorts het volgende gebleken.

Koperhoudende houtverduurzamingsmiddelen bestaan uit koper (Cu), chroom (Cr) en arseen(As)verbindingen. Derhalve wordt naar deze middelen ook wel gerefereerd als CC(A). De A staat tussen haakjes aangezien er middelen zijn die bestaan uit koper en chroom, en middelen die bestaan uit koper, chroom en arseen. Momenteel zijn er twee typen CC(A) zouten in de handel, type A en B. Beide typen verschillen in samenstelling en fixatie-eigenschappen.

Bij de onderstaande effectbeoordeling wordt gebruik gemaakt van ecotoxicologische normen. Gezien het feit dat alle metalen in een zekere achtergrondconcentratie voorkomen in het milieu, zijn de normen afgeleid volgens de Toegevoegd Risico benadering. Hierbij wordt de hoeveelheid stof berekend die maximaal kan worden toegevoegd aan het reeds aanwezige achtergrondgehalte in bodem, water of sediment zonder dat ontoelaatbare ecosysteem-effecten zijn te verwachten. Deze hoeveelheid wordt aangeduid als de Maximaal Toelaatbare Toevoeging (MTT) en is berekend op basis van toxiciteitsgegevens. De achtergrondconcentraties zijn gebaseerd op metingen in een groot aantal niet-verontreinigde gebieden

Bij de risicobeoordeling wordt de norm vergeleken met de voorspelde concentratie (PEC) in het relevante milieukompartiment. Er is sprake van een risico wanneer de ratio tussen PEC en MTT groter is dan 1.

Uitlooggegevens.

Hoewel een groot aantal studies is uitgevoerd naar het uitlooggedrag van met koperverbindingen verduurzaamd hout, is slechts een beperkt aantal voldoende betrouwbaar om te gebruiken voor de beoordeling. Alleen voor CC(A)-type B zijn langdurige experimenten met vurenhout en grenenhout in stromend en stagnant water beschikbaar. Voor CC(A)-type C zijn alleen kortdurende proeven in stagnant water uitgevoerd, waarbij alleen voor vurenhout bruikbare gegevens verkregen zijn. Voor CC-middelen zijn geen experimentele gegevens beschikbaar. Gezien de spreiding in de gegevens die beschikbaar zijn worden de hier geselecteerde gegevens echter wel representatief geacht voor de beoordeling van de milieurisico’s van gewolmaniseerd hout, waarvan herkomst, type middel, kwaliteit van het impregneerproces en aard van een eventuele nabehandeling eveneens een grote diversiteit zal kennen.

De berekening voor de acute blootstelling in oppervlaktewater is gebaseerd op de gemiddelde concentratie over 1 dag na het bereiken van de maximale concentratie, hetgeen zeker geen “worst-case” schatting is.

Monitoring van emissie naar bodem en grondwater in de gebruiksfase.

Er zijn geen betrouwbare monitoringsgegevens beschikbaar. Wel zijn er gegevens beschikbaar uit een experiment waarin de uitloging van ingegraven CCA-C geïmpregneerd hout werd bestudeerd onder invloed van regen. In dit experiment werd in zandgrond een toename van de concentratie in de bodem waargenomen van 25,5 mg/kg voor koper en 3,1 mg/kg voor arseen. In een andere studie wordt voor arseen een gemiddelde toename van 5 mg/kg gegeven. Uit een Canadees onderzoek naar emissie van koper, chroom en arseen uit speeltoestellen werden concentraties in de bodem gevonden van 101-729 mg koper/kg, 0,8-50,4 mg chroom/kg en 1,82-65,0 mg arseen/kg. Deze gegevens kunnen niet vergeleken worden met modelberekeningen, omdat de modellen en de genoemde experimenten te veel uiteenlopen. De gegevens ondersteunen wel de veronderstelling dat er emissie uit geïmpregneerd hout optreedt. De gemeten toename en concentraties ten gevolge van deze uitloging zijn boven de MTT voor bodem met 5% organische stof, waardoor er sprake is van milieurisico.

Gecombineerde effecten.

In deze beoordeling zijn de effecten van gecombineerde blootstelling aan koper, chroom en arseen niet in beschouwing genomen. Het is duidelijk dat indien er sprake is van (gedeeltelijk) addititieve werking, of van synergisme, de risico’s voor het milieu groter zijn dan hier berekend.

Persistentie.

Koper, chroom en arseen zijn metalen c.q. metalloïden en komen doorgaans in gecomplexeerde vorm voor, hoewel koper ook als vrij (gehydrateerd) ion kan voorkomen. Deze complexen kunnen onder invloed van (veranderende) fysisch-chemische omstandigheden (redox potentiaal, zuurgraad, beschikbaarheid van andere ionen) in elkaar overgaan. De elementen koper, chroom en arseen blijven in hun elementaire vorm echter aanwezig met behoud van hun intrinsieke eigenschappen, en zijn derhalve persistent. In deze zin is de DT50 van deze stoffen in de bodem >180 dagen en voldoen ze niet aan de Nederlandse norm voor persistentie.

Uitspoeling.

De berekeningen met het Nederlandse model met de beschikbare gegevens leiden in alle gevallen tot een overschrijding van de norm van 0,1µg/l (tabel 5.1). De overschrijding van de individuele componenten bedraagt minimaal een factor 11,8. De overschrijding van de som van de componenten bedraagt minimaal een factor 67,6.

Tabel 5.1: PECgrondwater bij gebruik van palen van geïmpregneerd hout.

type CCA

type hout

Concentratie In poriewater

(µg/L)

Cu

Cr

As

B; vuren

4,77

11,2

47,7

C; vuren

1,73

1,30

3,73

C; vuren

2,80

1,18

9,41

C; vuren

-

-

5,80

B; grenen

6,73

8,57

181

Risico’s voor water-, sediment-, bodem- en grondwaterorganismen..

De risico-evaluatie voor organismen is gebaseerd op de vergelijking van de geschatte concentraties in het compartiment (PEC’s) met de MTT’s . Er is sprake van een risico wanneer de ratio tussen PEC en MTT groter is dan 1 (Tabellen 5.2 – 5.4).

Tabel 5.2: Berekende PEC/MTT ratio’s in het water van een modelsloot als gevolg van de uitloging uit geïmpregneerd hout.

<TD style="BORDER-RIGHT: black 0.75pt solid; PADDING-RIGHT: 2.8pt; BORDER-TOP: #c0c0c0; PADDING-LEFT: 2.8pt; PADDING-BOTTOM: 0cm; BORDER-LEFT: #c0c0c0; WIDTH: 42.55pt; PADDING-TOP

type CCA

type hout

Water testsys-teem

PEC/MTT ratio voor Cu

PEC/MTT ratio voor Cr

PEC/MTT ratio voor As

Initi-eel

28 dagen

1 jaar

Ini-tieel

28 dagen

1 jaar

1 jaar

28 dagen

1 jaar

B; vuren

Stromend

214,5

4,6

0,67

0,9

0,18

0,025

5,5

2,96

1,06

B; vuren

Stagnant

224,5